Ontmoetingen met God

Hieronder een aantal verhalen van lezers van de Gesprekken met God boeken. De verhalen vertellen waargebeurde belevenissen van lezers die tijdens moeilijke momenten in hun leven geholpen werden door gebeurtenissen waarin zij de hand van God herkennen. Want zoals Gesprekken met God ons vertelt, manifesteert God zich overal en tot iedereen, zo waar door ieders leven heen, als wij er maar voor open staan. Ook u kunt uw Ontmoeting-met-God kunt u richten aan info@gesprekkenmetgod.nl

 

 

!

Er zijn vele huizen

 

Bill Tucker leerde de les van het geloof dertig jaar geleden, een les die hij nooit is vergeten. Hij heeft er vele malen een beroep op gedaan om zichzelf eraan te herinneren dat niets onmogelijk is. Slechts één ding is vereist: geloof.
In die dagen had Bill nog nooit een huis verkocht, ook al had hij een vergunning als makelaar en runde hij een firma in onroerend goed. Hij bleef vaak tot laat in de avond op kantoor zodat hij beschikbaar was voor makelaars die terugkwamen van hun avondbezichtigingen. Hij was verantwoordelijk voor de beoordeling van de aanbiedingen en hij wilde geen verkopen traineren - of verloren laten gaan - door niet op kantoor aanwezig te zijn.
Tien uur 's avonds was echter lang genoeg geweest om nog open te blijven, besloot hij op een avond toen hij op zijn horloge keek en moest gapen. Ik ga naar huis toe, zei hij tegen zichzelf. Vandaag zit het erop wat mij betreft. Maar toen hoorde hij stemmen voor in het kantoor. Ik zal wel hebben vergeten de deur af te sluiten, zei hij tegen zichzelf, terwijl hij opstond om de zaak te gaan onderzoeken.
'Het spijt me,' verontschuldigde hij zich tegenover het jonge stel dat hij bij de balie aantrof, 'het kantoor is gesloten.' Het was een petieterig stel, zij was amper 1,65 m lang en hij niet veel meer. Twee kleine kinderen schommelden schuw achter hun rug.
'Maar de lichten waren nog aan,' merkte het vrouwtje op.
'Ja,' antwoordde Bill, 'maar ziet u, ik ben de manager, ik ben geen makelaar. Ik wacht gewoon op de makelaars tot ze terugkomen, zodat ik de boel daarna kan afsluiten.'
'Wij zijn de Johnsons... Ted en Amy. We moeten vanavond een huis kopen, dus u moet ons helpen,' drong ze aan.
'Waarom vanavond, mevrouw Johnson?' vroeg Bill.
Ze haalde diep adem. 'Omdat we er morgen moeten intrekken.' Bill kon maar ternauwernood voorkomen dat zijn mond van verba¬zing openviel.
'Dat is onmogelijk, mevrouw,' glimlachte hij geduldig. 'Allereerst moeten we, zelfs als u een huis zou kunnen vinden op dit uur van de avond, een bod doen aan de eigenaar. Dan moeten we wachten op een eventueel tegenbod. Daarna moet u bij de bank een hypotheek aanvragen. Het huis moet worden getaxeerd en de bank moet u geschikt verklaren. U kunt echt op geen enkele manier binnen minder dan zes weken een huis betrekken.'
Zo, dat moet toch een afdoende verklaring zijn, bedacht hij. De mensen bleven Bill verbazen. Innerlijk kon hij er wel om grinniken. Dacht ze nou echt dat ze hier om tien uur 's avonds kon komen binnenmarcheren en iets kon bereiken met dat idiote idee van haar?
Hij wilde zijn mond openen en voorstellen dat ze de volgende ochtend moesten terugkomen zodat hij hen kon introduceren bij een van de makelaars, die hen dan verder kon helpen, maar mevrouw Johnson had kennelijk een ander idee.
'O, dat zal absoluut geen problemen opleveren. We zullen van¬avond al een huis kunnen kopen,' zei ze.
Oké, dacht Bill. Misschien hebben ze voldoende cash voor een huis. Dat zou het hele proces natuurlijk kunnen versnellen. 'O, en hoe komt dat dan?' vroeg hij beleefd.
'Omdat ik God heb gevraagd om ons voor morgen een huis te ge¬ven, en Hij heeft me nog nooit laten zitten.'
'Ik begrijp het. Goed, zelfs als ik al een makelaar ter beschikking had, is het nu veel te laat om nog iets te gaan bekijken.'
Ze leek niet te begrijpen wat hij bedoelde. 'U heeft toch een vergunning?' vroeg ze.
Bill antwoordde dat het zo was. 'Maar ik heb nog nooit een huis verkocht en ik ben niet zo deskundig dat u mij zomaar zou kunnen vertrouwen.'
'U gelooft toch in God?'
Bill glimlachte lankmoedig. 'Zeker. Daarover hoeft geen enkele twijfel te bestaan...'
Ze onderbrak hem: 'Gelooft u in wonderen?'
'Euh... ja.' Bill had inderdaad in zijn leven heel wat dingen meegemaakt die hij als verbazingwekkende gebeurtenissen beschouwde.
Mevrouw Johnson verhief zich, stak haar borst naar voren en zei: 'Kijk, ik heb vandaag gebeden en ik heb God gevraagd om ons een huis te geven... Ahum, kunnen we niet even gaan zitten?' Bill knik¬te en wees naar een paar stoelen die voor de balie stonden. Hij ging op een stoel achter de balie zitten. 'Ik heb God gevraagd,' vervolgde de vrouw, 'om ons een huis te geven waar we morgen kunnen in¬trekken.'
Bill trok zijn wenkbrauwen op.
'We hebben geen plek om te blijven,' zei mevrouw Johnson eenvoudig. 'We dachten dat we op contractbasis een huis hadden gekocht van een oude mevrouw, hier in de stad, en dat zij ermee akkoord was gegaan om alles voor ons te financieren. We woonden eerst ongeveer 250 kilometer noordelijker, maar mijn man heeft hier een baan gevonden, dus hebben we alles ingepakt en zijn we verhuisd. Toen we aankwamen, was de mevrouw nog niet uit haar huis ver¬trokken... En toen we haar vroegen wanneer ze zou vertrekken, ver-telde ze ons dat ze niet wegging. Zij dacht dat we een deal met haar hadden gesloten dat we bij haar zouden intrekken. Ze had dus haar kelder voor ons gereserveerd.'
Bill floot zachtjes en schudde zijn hoofd. 'Dat is een bizar verhaal,' meende hij oprecht. In de twintig jaar waarin hij dit werk deed, had hij heel wat rampverhalen gehoord en dit verhaal scoorde hoog aan de top van de lijst.
Mevrouw Johnson ging door. 'We kunnen natuurlijk niet in de kelder van die mevrouw gaan wonen. We hebben onze kinderen. We hebben ons dagelijks gewassen in het toilet van het tankstation hier verderop in de straat. Vanavond heb ik God om een wonder gevraagd, omdat we zo niet verder kunnen. Daarom zijn we gaan rondrijden op zoek naar een makelaardij die nog open was. En daar bent u!'
Door het raam kon Bill de oude, versleten auto van het stel op de parkeerplaats zien. 'Hoeveel geld heeft u voor een aanbetaling?' Hij wilde het antwoord bijna niet horen.
'O, we bezitten amper een rode cent. Ted heeft de laatste tien jaar niet kunnen werken. Ziet u, hij is alcoholist geweest en we zijn nu helemaal opnieuw begonnen, maar dat is niet gemakkelijk. Ik verdien parttime wat bij als serveerster.'
Deze situatie begint uit de hand te lopen, bedacht Bill. Hoe kunnen ze in godsnaam denken dat ze een huis kunnen kopen zonder enig geld?
'u heeft uw gezin onderhouden op basis van een inkomen als serveerster? Waarom werkte u alleen parttime?' vroeg Bill zich hardop af.
'Ik moest wel,' legde mevrouw Johnson uit, 'anders kon ik het vrijwilligerswerk voor mijn kerk niet doen. Dat is belangrijk voor mij. Maar we redden ons wel... Dat is het probleem niet. Het probleem is dat we geen plek hebben om te wonen. En weet u, we zijn niet kieskeurig. We accepteren het goedkoopste huis dat we kunnen vinden.' 'Waarom zoekt u geen huurwoning?' stelde Bill voor. 'U kunt er dan weer bovenop komen, wat geld verdienen en voor een huis gaan sparen.'
'We huren al jarenlang,' wierp de vrouw tegen. 'Het is tijd dat we een plek van onszelf krijgen. En dat lukt, met Gods hulp. Kijk eens, Hij heeft ons al bij u gebracht.'
Tja, wat een geluk, dame, dacht Bill. Tegelijkertijd was hij geïntrigeerd door het rotsvaste geloof dat deze vrouw liet zien. En wie was hij, peinsde hij, om tussenbeide te komen tussen haar en haar won¬der? Hij haalde de ordner tevoorschijn waarin alle aangeboden hui¬zen stonden vermeld. We kunnen op zijn minst even kijken wat de mogelijkheden zijn, zei hij tegen zichzelf met een innerlijke zucht.
'Kijk, hier is een huis voor 54.000 dollar. Het staat niet in het mooiste deel van de stad, maar de prijs is redelijk laag. Hoeveel gaat uw man verdienen in zijn nieuwe baan?'
Meneer Johnson was tot dan toe stil geweest, maar deed nu zijn mond open.
'Ik mag blij zijn dat ik überhaupt een baan heb. Ik begin morgen als conciërge voor zes pop per uur.'
Bill zag hen schuins aan. 'Dat is niet veel,' merkte hij op. Hij pakte zijn rekenmachine en drukte een paar cijfers in. 'Nog geen 12.500 dollar per jaar.'
De man knikte.
Bill zei: 'Met dat salaris kunt u zich ten hoogste een huis van 36.000 dollar veroorloven. Er zijn geen huizen in die prijsklasse. En zelfs als ze er al waren, zou de bank nog een aanbetaling vragen. Het is allemaal weinig aannemelijk, meneer en mevrouw Johnson.'
'Maar u zei dat u in wonderen geloofde,' zei mevrouw Johnson stilletjes.
'Ja, dat heb ik gezegd,' glimlachte Bill meegaand, 'maar ik heb niet gezegd dat ik ze kon volbrengen.'
Het stel staarde hem slechts aan. Oké, dacht hij, ik laat ze gewoon zien hoe onmogelijk dit is. Hij pakte de telefoon op en belde de makelaar die het huis op de lijst had geplaatst. 'We zullen een bod doen,' zei hij, maar hij wist nu al wat de uitkomst zou zijn.
De makelaar was aanvankelijk zeer in haar nopjes met het telefoontje. Bill had op het formulier gezien dat het huis al langer dan een jaar te koop stond, dus had hij deze reactie wel verwacht. Maar toen de makelaar te horen kreeg dat het bod slechts 36.000 dollar was, kreeg Bill de tweede reactie die hij had verwacht. Ze reageerde uiterst verontwaardigd. Bill moest erop aandringen dat ze het bod aan de eigenaar zou doorgeven en hij herinnerde haar eraan dat elk bod dat te goeder trouw was gedaan, moest worden voorgelegd.
Enkele minuten later al belde de makelaar terug. 'De eigenaar doet een tegenbod,' zei ze, nu minder geïrriteerd omdat op zijn minst de een of andere deal mogelijk leek. 'Het is een goed bod: 45.000 dollar. Ik denk dat jullie het zouden moeten aannemen.'
'Dank je wel,' antwoordde Bill oprecht. 'Maar laat me de situatie even uitleggen. Mijn cliënten hebben geen spaargeld en hun inkomen kun je vrijwel verwaarlozen. Ze mogen van geluk spreken als ze een bank vinden die hun die 36.000 dollar wil lenen, laat staan 45.000 dollar. We willen blijven onderhandelen en doen een tegenbod van 36.500 dollar.'
'Ik weet wel zeker dat mijn eigenaar dat niet zal accepteren,' zei de makelaar nuchter.
Bill antwoordde: 'U heeft niet het recht die vaststelling te doen. U bent verplicht onze reactie op het tegenbod te melden.' Hij kreeg de smaak te pakken. Misschien was dit dan toch een interessante zaak.
De makelaar belde na vijf minuten terug. 'Ik heb jullie bod doorgegeven en de eigenaren willen dat ik jullie het huis laat zien. We den¬ken dat de kopers bereid zullen zijn onze prijs te betalen als ze het huis eenmaal hebben gezien.'
'Ik denk niet dat ze dat kunnen,' vertelde Bill haar nogmaals.
'Ik heb vreemdere dingen zien gebeuren,' zei de makelaar. 'Laten we ze het huis tonen.'
'Oké,' ging Bill akkoord en hij nam afscheid. Hij vertelde de ]ohnsons wat er te gebeuren stond. Ze zaten daar maar, glimlachend. Bill kon nauwelijks geloven dat ze al zover waren gekomen. Vanzelfsprekend zouden ze de volgende ochtend allemaal de nutteloosheid van deze inspanning inzien, maar zoiets hoorde nu eenmaal bij de handel in onroerend goed. Het waren aardige mensen en hij was bereid het hele proces met hen te doorlopen tot ze zouden doorhebben hoe de vork in de steel stak.
Toen hij de volgende ochtend naar het huis reed, stelde Bill zich voor hoe armoedig het huis er waarschijnlijk uit zou zien. Het was per slot van rekening het goedkoopste huis op de markt en het lag in het meest vervallen deel van de stad. Het wegdek zat vol gaten. Overal zag je autowrakken en verwaarloosde tuinen. Bill zuchtte diep toen hij voor een bescheiden toegangspoort parkeerde.
De makelaar stond al op hem te wachten, de ]ohnsons naast haar, met een hoopvolle blik in de ogen. Hij zag er erg tegenop hoe teleurgesteld ze zouden zijn. Bill was blij dat zijn baan gewoonlijk niet het verkopen van huizen inhield ofwel het teleurstellen van de hooggestemde verwachtingen van de mensen.
Toen de makelaar de poort openzwaaide, moest Bill naar adem hap¬pen. Het kleine huis was prachtig! Het was een vriendelijk roodwit houten huis in traditionele stijl, compleet met dakkapellen en luiken voor alle ramen. Toen ze door de voordeur naar binnen gingen, zag Bill dat er nieuwe vloerbedekking en linoleum lag. Al het houtwerk was afgekrabd en opnieuw geverfd, er stonden nieuwe apparaten en ook hingen er nieuwe kasten in de kleine keuken. Het huis was vlekkeloos en alle kamers waren ingericht met nieuwe meubels die bij de verkoopprijs van het huis waren inbegrepen. Het was een juweeltje!
'We nemen het!' flapte mevrouw ]ohnson gelukkig uit.
'Geweldig. Laten we naar het huis van de eigenaar gaan en de onderhandelingen afsluiten,' straalde de makelaar.
Het kleine gezelschap trok in karavaan weg uit de vervallen buurt naar een lieflijke voorstad en kwam tot stilstand voor een ruime ranch. De groep werd bij de voordeur verwelkomd door een beer van een man die was gekleed in een overall. 'Een goede dag voor u. Ik ben George RockweIl,' begroette hij hen warm en hij leidde hen naar een vrolijke keuken waar zijn vrouw koffie inschonk voor iedereen.
Toen ze allemaal een plaatsje hadden gevonden, keek meneer Rockwell meneer Johnson strak aan en vroeg hem: 'Wat is er met u aan de hand, meneer? Waarom bent u niet bereid om uw gezin op zijn minst de meest elementaire behuizing tegen een redelijke prijs te verschaffen?'
'Nou, mijnheer,' begon ]ohnson, terwijl hij in zijn kopje staarde. 'Ik ben daar wel toe bereid. Mijn makelaar hier zegt echter dat ik me niet meer kan veroorloven.' Hij had moeite met RockweIls confronterende aanpak. 'Ziet u,' ging hij verder, 'ik ben alcoholist geweest. De laatste tien jaar heb ik niet gewerkt. Maar ik sta nu droog en ik heb net een nieuwe baan bij de fabriek van Harnischfeger.'
Meneer Rockwell keek verrast. 'Harnischfeger! Wie heeft u daar aan-genomen?'
'Een aardige man die Rogers heet. Charley Rogers.'
Rockwell kwam overeind en stak zijn hand uit. 'U kunt het huis krijgen voor 36.500 dollar!'
Bill verslikte zich zowat in zijn koffie. 'Excuseer me,' onderbrak hij zodra hij was uitgehoest. 'We weten nog niet eens zeker of we een bank zullen vinden die hun een lening wil verstrekken.'
'Geen probleem,' luidde het antwoord. 'Ik financier het zelf wel' 'Meneer Rockwell,' ging Bill verder, 'deze kopers zijn zelfs nog niet gekwalificeerd.'
'Zeg, wie vertegenwoordigt u nu eigenlijk, meneer Tucker?' vroeg de eigenaar van het huis nu. Toen vervolgde hij met zachtere stem: 'Luister, ik ben net met pensioen na zesendertig jaar voor de onderhoudsafdeling van Harnischfeger te hebben gewerkt. Charley Rogers kwam vijftien jaar geleden bij mij, een tot inkeer gekomen alcoholist. Ik heb het risico met hem genomen en dat heeft perfect uitge¬pakt. Als deze man goed genoeg voor Charley is, dan is hij goed genoeg voor mij. Ik geef hem dat huis hier en nu tegen zijn prijs!'
De twee makelaars keken elkaar nu vol ongeloof aan. Er volgde een tweede rondje koffie en Rockwell begon het verhaal te vertellen van het huis dat spoedig het eigendom zou zijn van meneer en mevrouw Johnson, een huis dat hem zoals bleek zeer na aan het hart lag.
Zijn vader had het huis gebouwd en George Rockwell had er zijn hele leven gewoond, was er getrouwd en had er zijn kinderen grootgebracht. Hij had het hele interieur zelf opgeknapt. Zijn vrouw had de nieuwe vloerbedekking en het meubilair uitgekozen. De enige reden waarom hij en mevrouw Rockwell zich uiteindelijk toch gedwongen zagen om te verhuizen, was dat ze hun geld wilden investeren in iets wat substantiëler was, iets wat op de lange duur een groter ren¬dement opleverde, aangezien hun zoon, die aan het syndroom van Down leed, ook na hun overlijden nog blijvende financiële behoef¬ten zou hebben.
De Johnsons zaten nu te gloeien en terwijl de ochtendzon door de ramen naar binnen stroomde, voelde Bill een traantje in zijn oog¬hoek knijpen en ook de makelaar probeerde haar mascara droog te houden.
'Kunnen we er vandaag intrekken?' informeerde Amy Johnson hoopvol.
Rockwell zocht in de zak van zijn overall en haalde een bos sleutels tevoorschijn. 'Doe alsof je thuis bent!' grinnikte hij en hij gaf de sleutels aan mevrouw Johnson.
Ze keek Bill aan en knipoogde. Hij knipoogde terug. Dus hier komt het verkopen van huizen - en het leven - op neer, dacht hij. Gewoon het ene wonder na het andere.

Er zijn talrijke wonderbaarlijke boodschappen in Gesprekken met God, maar geen daarvan is even belangrijk als deze ene zin:
Je leven ontstaat vanuit je eigen bedoelingen.
Dit geheugensteuntje uit Gesprekken met God helpt ons de relatie tussen onszelf en God begrijpen en het proces van het leven zelf.
Het leven is niet een ontdekkingsproces in de zin van 'laten we eens kijken wat er gebeurt'. Het leven is een scheppingsproces in de zin van 'laten we kiezen wat er gebeurt'.
Ons is verteld dat we naar het beeld en de gelijkenis van God zijn geschapen. Welnu, God is De Schepper. God schept. Als we dus werkelijk naar zijn beeld en gelijkenis zijn geschapen, dan moeten ook wij scheppers zijn.
Dit is precies zo. De vraag is aan de hand van welk proces wij dan creëren? En het antwoord luidt: door onze bedoelingen.
Door helder te zijn over onze bedoelingen 'helpen' we 'God'. Door middel van deze kunstgreep doen we mee met God aan daden van bewuste co-creatie. We gebruiken de kracht van God, bewust, om een specifiek resultaat te realiseren.
Het verhaal van meneer en mevrouw Johnson illustreert dit treffend. Maar de vraag die moet opkomen bij iedereen die er dieper over nadenkt, is: wat kwam er eerst, het kip of het ei? Dat wil zeg¬gen: was het mevrouw Johnsons rotsvaste geloof in wonderen dat het wonder voortbracht? Of was er al sprake van een wonder nog voordat zij erin geloofde of er zelfs maar aan dacht en hoefde zij het wonder alleen maar daar te zien?
Wat bracht het wonder voort?
Dat is de vraag.
Gesprekken met God vertelt ons dat het mevrouw Johnsons bedoelingen waren die ervoor zorgden dat zij dit specifieke resultaat ervoer in plaats van alle andere mogelijke resultaten.
Kan dit waar zijn? Als het waar is, hoe werkt het dan?
Dat is de vraag die de Denkende Theologie stelt. Denkende Theologie is een naam die ik heb bedacht voor die vorm van theologie die probeert te begrijpen hoe de dingen gebeuren en niet alleen waarom ze gebeuren.
Voor sommigen volstaat het om te weten dat mevrouw Johnson een huis binnen een dag kon kopen omdat ze het geloof had. Voor anderen is er een dieper onderzoek nodig. Hoe werkt het geloof? Hoe precies bewerkstelligt het geloof het gewenste resultaat?
Gesprekken met God is zo'n enorm populair werk, vertaald in zevenentwintig talen en gelezen door miljoenen rond de wereldbol, omdat het - wellicht voor het eerst op een manier die de gemiddelde leek begrijpt - het Hoe van het leven verklaart.
En alle Met God-boeken die daarna zijn gekomen, inclusief Vriendschap met God en Eén met God, hebben voortgebouwd op dit thema, zodat we nu het mechanisme kennen waarmee God in ons leven komt om wonderen te volbrengen.
En deze momenten waarop God in ons leven komt, zijn wat ik momenten van genade heb genoemd.
Natuurlijk, in de meest strikte zin komt God niet 'in ons leven'. Als dat waar was, dan zou daaruit volgen dat er momenten zijn waarop
God niet in ons leven is. En dat is niet waar. Het is niet waar om de simpele reden dat het onmogelijk is. De enige manier waarop dat mogelijk zou zijn, was als God en wij van elkaar afgescheiden zijn. Als God afgescheiden is van ons, dan zouden er momenten kunnen zijn dat God 'met ons' is en momenten dat Hij dat niet is.
Wat dan veroorzaakt dat Hij 'met ons' is of dat Hij 'niet met ons' is, zou het onderwerp van complete religies en geloofssystemen kunnen zijn. We zouden ons hele leven en talloze boeken kunnen wijden aan deze basisvraag: wat brengt God in ons leven?
Maar hoe zit het als God al in ons leven is? Hoe zit het als God nooit weggaat? Hoe zit het als God niet weg kan, zelfs niet als Zij dat wil, omdat God en wij Eén zijn? Hoe zit het dan als dat waar is?
Dat zou onder andere een heel andere basisvraag opleveren. Niet wat brengt God in ons leven, maar wat gaan we met Hem doen nu we eindelijk inzien dat Zij er altijd is geweest?
Gesprekken met God haalt aldus een dikke streep door de rekening. Door de vraag om te draaien en op zijn kop te zetten krijgen we uiteindelijk volstrekt andere antwoorden.
Als God en mevrouw Johnson Eén zijn, dan is er dus geen sprake van dat mevrouw Johnson God vraagt om binnen een dag voor haar een huis te vinden. Het is dan eerder zo dat mevrouw Johnson dat resultaat oproept.
Dit wordt gedaan door het mechanisme van bedoelingen.
Is er iemand die in twijfel wil trekken dat het mevrouw Johnsons bedoeling was om binnen vierentwintig uur een huis te vinden, ongeacht of iemand zei dat het mogelijk of onmogelijk was?
Veel mensen hebben hun levens droom zien beëindigen omdat ze niet hadden begrepen wat hier zojuist geschreven is. Ze hebben aanvaard dat datgene wat iemand anders zegt mogelijk is of onmogelijk is. Ze hebben de terminatie van hun dromen beleefd. Maar als je je een uitgesproken bedoeling voor ogen houdt, dan kun je dat terminatieproces herroepen door een wonderbaarlijk omkeringsproces dat ik de-terminatie noem.
De-terminatie maakt feitelijk een 'einde aan de beëindiging'. Het stopt het stoppen. Het sluit het sluiten en zorgt ervoor dat iedereen een nieuwe start kan maken, opnieuw kan beginnen. In sommige christelijke kringen wordt dit ook wel aangeduid als wedergeboorte (bom again). Gesprekken met God noemt dit het wonder van de recreatie, waarbij wij onszelf opnieuw herscheppen in de volgende meest verheven versie van het geweldigste visioen dat wij ooit hebben gehad van Wie wij zijn.
Onderschat nooit de kracht van determinatie. Dat is de les die we kunnen trekken uit het verhaal van Bill Tucker en de Johnsons.

Verassende wendingen op een studiereis

David Daniel is een hartstochtelijk pokeraar, dus weet hij wel iets van kansberekening. De ervaring die hij begin jaren zeventig als collegestudent had, heeft hem op een intuïtief niveau bijgebracht hoe onwaarschijnlijk het is dat zoiets als 'toeval' bestaat. David stond op het punt om te beginnen aan zijn eerste studiejaar aan de universiteit van Zuid-Californië. Als deelnemer aan het uitwisselingsprogramma van studenten en met zijn specialisatie in Internationale Betrekkingen, was hij uitgenodigd een jaar in het Noord-Afrikaanse Tunis te komen studeren. Het beloofde nogal een avontuur te worden. Davids ouders hadden hem aangemoedigd eerst wat tijd door Europa rond te reizen voordat het studiejaar midden september begon. Niettemin maakten ook zij zich begrijpelijkerwijs ongerust. David was pas negentien. Volgens plan zou hij naar Parijs vliegen en dan door Frankrijk rondreizen voor hij naar Tunesië vertrok. David zelf was, hoewel ook opgewonden natuurlijk, enigszins ge¬spannen over zijn reis. Daar stond hij dan, nog geen twintig jaar oud, op het punt zijn weg te moeten vinden binnen een volstrekt andere cultuur. Hmm, dacht hij, dit kan uitpakken als een leerzame ervaring of als een volstrekte ramp. Toen de jongeman met paardenstaart en verstelde spijkerbroek en rugzak op Kennedy Airport in New Vork aankwam, was hij enthousiast genoeg, maar hij kwam ervaring tekort op het gebied van ergens anders dan thuis zijn. Zal het allemaal goed aflopen? vroeg hij zich af. Mijn God, Parijs! droomde hij verder. En Tunesië! Wat moet ik doen als ik daar eenmaal ben? Ik beheers niet eens de taal! En ik ken er niemand. Een beetje van zijn stuk gebracht door zijn eigen zenuwen op het allerlaatste moment ging David over de luchthaven rondzwerven en probeerde hij niet te denken aan wat er allemaal mis kon gaan. En omdat hij door zijn vluchtschema vele uren voor het vertrek van zijn late transatlantische vlucht was aangekomen, had hij genoeg tijd om zich zorgen te maken. Uiteindelijk besloot hij Manhattan in te gaan en de tijd wat sneller te laten verlopen door daar rond te kijken. Hij wilde zijn geld bewaren voor zijn reis door Europa en besloot te gaan liften. Hij was nog nooit in New Vork geweest. Het zou een mooi avontuur voor die middag zijn, zei hij tegen zichzelf, en het zou een fluitje van een cent zijn om vanaf de luchthaven een lift te krijgen. Niet dus. De auto's vlogen voorbij, iedereen negeerde zijn uitgestoken duim. Man, ik red het zelfs al niet eens in New York, dacht hij. Hoe moet ik dan mijn weg vinden in Frankrijk? Hij stond op het punt om zijn idee van een bezoekje aan Manhattan op te geven toen een auto geleidelijk afremde en voor hem stopte. 'Waar moet je naartoe, jongen?' vroeg de aardige man achter het stuur. 'Naar Manhattan,' antwoordde David hoopvol. 'Ik dacht, ik ga een beetje rondkijken voordat ik vannacht naar Parijs vertrek.' 'Tja, ik ga niet naar Manhattan, maar ik kan je een eind meenemen en je dan ergens afzetten waar je een ritje naar het centrum kunt krijgen.' Opgetogen stapte David in. Het begint al beter te gaan, grinnikte hij in zichzelf. Niet dus. Tot zijn verbazing stopte zijn gastheer bij een verkeerseiland midden tussen allerlei snelwegen en gebaarde dat hij moest uitstappen. 'Wat gebeurt er?' vroeg hij nerveus. 'Tot hier kan ik je meenemen,' antwoordde de chauffeur. Toen, reagerend op Davids verbaasde blik: 'Ik heb je toch gezegd dat ik je niet het hele eind kon meenemen.' Op de plek waar ze zich bevonden, waren er minstens vier afritten die allemaal in verschillende richtingen naar verschillende bestemmingen in de stad leidden. David had geen idee waar hij was of hoe hij op zijn gewenste plaats van bestemming moest komen. En in zijn staat van plotselinge verlamming had hij zelfs niet de tegenwoordigheid van geest om aan de chauffeur te vragen waar hij naartoe moest! Hij hoorde hem alleen zeggen: 'Jongen, je moet nu uitstappen!' Hij bedankte de man voor de lift en stapte uit op het verkeerseiland midden tussen alle snelwegen. David werd overvallen door wanhoop terwijl hij het voorbij razende spitsuurverkeer in zich opnam. Hier krijg ik nooit een lift, dacht hij vertwijfeld. Zelfs in het onwaarschijnlijke geval dat er iemand zou stoppen, moest die persoon maar net naar Manhattan gaan en niet naar een van de andere bestemmingen die via de afritten mogelijk waren! En naar een geschiktere plek lopen, of zelfs terug naar de luchthaven lopen, was geen optie. Hij was midden tussen een aantal snelwegen neergepoot en zat flink in de knoei, zo mompelde hij tegen zichzelf. David gooide de rugzak over zijn schouder en stak berustend zijn duim uit. Honderden auto's kwamen voorbij. Er ging een uur voorbij, en toen nog een... David keek naar de gezichten van de chauffeurs terwijl ze vastbesloten de afrit van hun bestemming kozen. Nauwelijks iemand merkte hem op en als iemand hem al zag, verscheen er een verbaasde of, erger nog, een geamuseerde blik in diens ogen. En David vermoedde dat hij precies kon raden wat die mensen dachten. 'Denkt die knaap nou echt dat hij hier een lift kan krijgen?' En David kon het daar alleen maar mee eens zijn. Zijn vooruitzichten, zo schatte hij in, zagen er nogal somber uit. Hij begon erover na te denken wat hij kon doen als er helemaal niemand voor hem stopte. Zodra het spitsuurverkeer zou afnemen, zo besloot hij, zou hij proberen de wirwar van snelwegen over te steken om zijn weg naar een bushalte te vinden. Hij begon zich langzaam zorgen te maken. Als er nu niet gauw iets gebeurde, had hij geen tijd meer om Manhattan in te gaan. Hij zou terug moeten naar de luchthaven om zijn vliegtuig naar Parijs niet te missen; hij zou zelfs wat geluk moeten hebben om zijn late vlucht nog te halen. Zijn gedachten namen nu echt een negatieve wending aan. Weet je, ik sta hierbuiten wel aan van alles blootgesteld, begon hij te denken. Er kan van alles gebeuren. En zelfs als er een politieauto aankomt, ben ik wel veilig, maar heb ik weer andere problemen. Je mag niet liften langs de snelweg. Misschien houdt de politie me vast en mis ik mijn vlucht alsnog.. . Terwijl al deze sombere gedachten door zijn hoofd maalden, riep David zichzelf opeens een halt toe. Wacht eens even, dit is idioot! Er zal niets vervelends gebeuren. Hij moest het hoofd schudden over zijn eigen gedachten. Ik moet positief denken. Een paar minuten later zag hij hoe een nieuw model stationcar vaart minderde en hoe de chauffeur van de auto hem bezorgd aankeek. Toen zag hij met ongeloof hoe de auto langs de kant van de weg stopte! De chauffeur gebaarde hem dat hij moest instappen. 'Dank u, dank u, dank u,' herhaalde David fluisterend terwijl hij zijn rugzak oppakte en naar het geopende autoportier rende. 'Gaat u naar Manhattan?' vroeg David meteen. Hij wist nu dat dit een belangrijke vraag was waar hij meteen antwoord op moest krijgen voordat de auto wegreed. Hij wilde niet op nog een verkeerseiland belanden te midden van een onvoorstelbare kluwen van snelwegen. De chauffeur keek David aan met zijn donkerbruine ogen. 'Ja, Manhattan,' antwoordde hij met een zacht accent. Ze hadden een kleine kilometer gereden toen David hem vroeg: 'Waar komt u vandaan?' 'Ik kom uit Tunesië in Noord-Afrika.' Wat? Als David op de rem had kunnen trappen, dan had hij dat gedaan. 'U komt uit Tu-Tunesië?' stamelde hij. 'Ja, maar het is alweer een tijd geleden dat ik thuis ben geweest. Ik heb de laatste jaren in Parijs gewoond en ik ben deze maand pas in New York komen wonen. Ik heb een artsenpraktijk in Manhattan.' 'U heeft in Parijs gewoond? U komt uit Tunesië en u heeft in Parijs gewoond?' David kon zijn oren niet geloven. 'Ik ben op weg naar Tunesië en ik blijf eerst een maand in Parijs!' De man zette grote ogen op en moest vervolgens glimlachen. 'Nou, dan lijkt het alsof ik de juiste reiziger heb uitgekozen. Misschien kan ik je helpen met je reis.' Gedurende de rit van vijfenveertig minuten naar Manhattan voerden David en de arts een levendig gesprek over alle mensen en plaatsen die het komende jaar deel zouden uitmaken van Davids leven. De chauffeur gaf David de namen van enkele goede vrienden en verschillende bekenden. Zij konden hem alles vertellen over de beste plaatsen waar je naartoe moest, welke dingen je moest zien, welke restaurants en galeries buiten de platgetreden paden lagen, welke appartementen je eventueel kon huren, welke mensen je moest ontmoeten: allemaal dingen die David goed van pas zouden komen om zijn bezoek aan Frankrijk zo aangenaam mogelijk te ma-ken en die een gewone toerist hem niet had kunnen vertellen. Al de dag daarop, kort nadat hij op de internationale luchthaven van Charles de Gaulle was geland, plukte David de eerste vruchten van zijn ritje naar Manhattan. Hij werd zelfs uitgenodigd om gebruik te maken van de leegstaande logeerkamer van een echtpaar wiens naam en telefoonnummer hij tijdens de rit naar Manhattan had gekregen. De Tunesische contacten die hem waren meegegeven, droegen enkele weken later in Tunesië eraan bij dat hij veel sneller dan verwacht vertrouwd raakte met de universiteit en zich prettig begon te voelen in die verre stad met haar volstrekt andere cultuur. Hij ontdekte de plaatsen waar hij als student kon verblijven, wonen en uitgaan, en dus had hij maar weinig zorgen. Davids hele onderneming verliep uitstekend. Maar Davids leven - zijn gevoel van vertrouwen, de toekomstmogelijkheden die uit die onderneming voortkwamen - zou... nee, was volstrekt anders geweest als deze aardige man, deze bijzondere man niet was gestopt voor een wanhopige hippie die zijn duim uitstak op een zonnige ochtend midden tussen alle snelwegen van en naar New York. David heeft zijn weldoener nooit teruggezien. Wekenlang schreef hij brieven aan de man om hem te bedanken voor zijn vriendelijke aanbevelingen, maar ze werden nooit beantwoord. Uiteindelijk besefte David dat deze toevallige ontmoeting een hoger doel in zijn leven had gediend en dat het niet langer nodig was om de arts na te jagen. De belangrijke ontmoeting had plaatsgevonden en zij had de koers van Davids studiejaar in het buitenland bepaald. Tot op heden vertelt David dit verhaal nog regelmatig. Sommige mensen vatten de kosmische context waarin David het geheel plaatst nogal licht op. Maar iedereen is altijd onder de indruk van de pure synchroniciteit van wat er toen op die snelweg is gebeurd. 'De manier waarop het me het meest vooruit heeft geholpen,' zegt David, 'los van de voor de hand liggende gift dat het mijn reis veel aangenamer heeft gemaakt, is dat het me onweerlegbaar heeft laten zien dat er in het leven momenten zijn waarop wonderen plaatsvinden, en deze mogen niet onopgemerkt of buiten beschouwing worden gelaten. Alles heeft een doel en een betekenis. We beschikken over de unieke gelegenheid om daar - al dan niet - aandacht aan te besteden en aldus zetten we de koers van ons leven uit.' Een paar jaar geleden pikte ik een prachtig stukje wijsheid op van Werner Erhard. Werner, een buitengewone leraar die de est-trainingen trainingen gericht op het vergroten van de menselijke potentie, noot van de vertaler heeft gecreëerd, zei: 'Het leven ontwikkelt zich in het proces van het leven zelf.' Dat zijn de elf meest verlichtende woorden die ik ooit heb gehoord. Door deze woorden kon ik me tegenover het leven ontspannen en het leven een kans geven. Mijn eigen herformulering van deze wijsheid komt tot uiting in de volgende vijf woorden: God is aan onze kant. Ik geloof hier resoluut en volledig in. Het is de grondslag van een compleet boek, Vriendschap met God, dat ik in 1999 heb geschreven. Het is de basis van mijn hele filosofie en mijn begrip van het leven. Ik geloof dat God zijn 'aan onze kant staan' elke minuut van elke dag laat zien, en op sommige dagen aangrijpender dan op andere. Het verhaal van David Daniel is daarvan een krachtig voorbeeld. Ik geloof dat wij allemaal soortgelijke verhalen hebben. Ik geloof dat wij allemaal in ons leven punten kunnen aanwijzen van verbazingwekkende synchroniciteit, serendipiteit, toeval, geluk of hoe we ze ook willen noemen. Ik noem ze momenten van genade. Ze vormen een bijzondere categorie binnen een grotere verzameling van dergelijke momenten waar wij volgens mij allemaal doorheen moeten. Slechts enkelen van ons doen dat echter bewust. Als we dit bewust doen, als we deze momenten van genade herkennen voor wat ze zijn, dan gebeurt er iets tamelijk opmerkelijks. Ze beginnen in aantal toe te nemen. Dit is omdat hoe meer we weten wat er gebeurt, hoe meer we weten wat er gebeurt. Laat ik eens proberen dat te verduidelijken. Gewaarwording is de sleutel tot bewustzijn, en bewustzijn is de sleutel tot creatie. Iets wat je intens gewaargeworden bent, leeft nog veel intenser in je bewustzijn. Gewaarwording is iets wat groeit, wat zichzelf voedt. Zodra je iets bent gewaargeworden, besef je dat jij je dat bewust bent. Dan besef je dat jij je dat bewust bent, enzovoort, totdat je het ultieme niveau van Totale Gewaarwording hebt bereikt. Als we beseffen dat er in het leven momenten van genade bestaan, dan beginnen we die heel snel te herkennen. Doordat we ze sneller herkennen, kunnen we er ook gemakkelijker voordeel uit trekken. Voor een toevallige waarnemer kan het zelfs lijken alsof we deze momenten zelf creëren. In zekere zin creëren we ze ook zelf, als we 'creëren' definiëren als het waarnemen van iets wat er al is (om daar dan ons voordeel uit te trekken). Eenvoudig gesteld: we hoeven niets te creëren. We hoeven slechts voordeel te trekken uit alles wat al gecreëerd is. En met zekerheid te weten dat we dat kunnen doen. Dit is nu waar de lijnen lijken te vervagen. Ze zijn niet echt vaag, maar het kan erop lijken alsof dat het geval is. In het geval van meneer en mevrouw Johnson zeiden we dat iemands bedoeling, iemands intentie, de ruimte creëert die nodig is om wonderen te laten gebeuren, zoals het vinden en kopen van een huis binnen een etmaal als je bijna geen geld hebt. We vroegen wat het wonder had voortgebracht. Bestond het wonder al voordat mevrouw Johnson erin geloofde of bracht zij het in zekere zin in stand door haar geloof? Nu zeggen we hier dat we 'slechts voordeel (hoeven te) trekken uit alles wat al gecreëerd is'. Dit lijkt de vraag te beantwoorden en lijkt ook te veronderstellen dat het wonder al bestond en dat mevrouw Johnson alleen maar hoefde te zien dat het er was, waarschijnlijk door haar geloof. Toch is het geloof een lastig ding. Voor heel veel mensen is het erg moeilijk om te geloven in iets wat ze 'niet geloven'. Als iets 'ongelofelijk' is, hoe bereikt iemand dan de staat dat hij erin kan geloven? Hoe verwerft iemand het geloof? Mijn vaststelling is dat het 'geloof' op drie manieren wordt verworven. Door iets op te merken, door iets te ervaren en door iets te beslissen. We kunnen opmerken hoe de dingen voor anderen uitwerken (door boeken als dit boek te lezen!), we kunnen ervaren hoe de dingen uitwerken (zoals David Daniel ondervond) of we kunnen onze bedoeling resoluut vooruit in de tijd plaatsen over hoe de dingen zich zullen ontwikkelen (de weg die mevrouw Johnson volgde). Dit kan in feite een driedelig, stapsgewijs proces worden. Eerst hoor je over de wonderen van andere mensen. Nadat je dan over voldoende wonderen te horen hebt gekregen, verheft je bewustzijn zich en begin je op te merken dat ook jij wonderen in jouw leven in ontvangst neemt. Nadat je uiteindelijk voldoende wonderen hebt ontvangen, besluit je dat wonderen tamelijk gewoon moeten zijn en begin je ze absoluut te verwachten - zelfs te eisen - door je intenties nader te bepalen! Interessant is dat niet alle stappen hoeven te worden genomen. Evenmin hoeven ze in deze volgorde te worden genomen. Je kunt een stap 'overslaan' of een stap buiten de volgorde nemen. Wat David Daniel overkwam op de dag dat hij als collegestudent zijn eerste bezoek aan New York bracht, was een moment dat op een enorm toeval zou 'kunnen lijken', zoniet een ramp. In waarheid was het een moment van genade, een tijd van goddelijk ingrijpen, waaruit alleen voordeel kon voortspruiten. De kracht ervan lag niet alleen in de resultaten die het moment op de korte termijn in Davids leven voortbracht, maar ook in het geloof en het weten die het op de lange termijn in zijn leven bracht. David weet nu, en heeft dit geweten vanaf die dag toen hij nog heel jong was, dat het leven zich ontwikkelt in het proces van het leven zelf, dat God aan onze kant is. In zijn geest bestaat hierover geen enkele twijfel, omdat hij het direct heeft ervaren, en voor hem is nu helder wat het Levensproces is en hoe het werkt. Hij ging meteen naar stap twee. De schoonheid van het 'systeem' is dat Davids helderheid hierover nog meer van dergelijke gebeurtenissen voortbrengt, nog meer van dergelijke resultaten. Dat is omdat David door zijn inzicht alle dingen anders kan zien, en daardoor kan hij de dingen anders ervaren. En dat ook verwachten. Hij kan nu overgaan tot stap drie. Maar vóór Davids 'wonder van de lift' maakte hij zich veel zorgen en vroeg zich af hoe hij ooit uit zijn problemen zou komen. Aan de andere kant maakte mevrouw Johnson zich voordat het 'wonder van het huis' gebeurde absoluut geen zorgen, ook al moest haar wonder ook nog plaatsvinden. Wat maakte het verschil uit? Bedoeling, intentie. Mevrouw Johnson stapte meteen over op stap drie. We weten te weinig over haar voorgeschiedenis om te kunnen vaststellen of ze sprongsgewijs bij die stap is beland of dat ze eerst stap een en twee heeft doorlopen. En dat doet er natuurlijk ook niet toe. Het belangrijkste is dat zij wist wat ze wilde en dat zij niet terugdeinsde. Ze verviel geen moment in negatieve gedachten, iets wat gemakkelijk genoeg gaat als de vooruitzichten ongunstig zijn. Ze liet niet toe dat haar intentie verflauw¬de door toe te geven aan wat er leek te gebeuren. Doordat ze haar intentie niet ontspande, hield ze alles onder spanning. Dit is een levensgeheim. Als je het goed toepast, is spanning goed. Ik heb het over wat psychologen 'creatieve spanning' noemen. In feite is dat precies waar ik het over heb: spanning die creëert. Als je de dingen onder creatieve spanning houdt, gebruik je tegengestelde energieën tegen elkaar om de dingen op hun plaats te houden. Op deze manier houd je de dingen op hun plaats terwijl het in de ogen van de hele wereld lijkt alsof alles uiteenvalt, alsof niets werkt, alsof alles zinloos is. Pas wanneer je de spanning vrijlaat, valt alles uiteen. Pas wanneer je alles loslaat of opgeeft, zoals kinderen die aan het touwtrekken zijn, stort alles ineen. De truc is om onder spanning te blijven tot dat wat zich 'verzet' uiteindelijk loslaat. Dan vallen de dingen niet omlaag, maar op hun plaats. Dit is precies wat meneer en mevrouw Johnson overkwam. David Daniel had het geluk dat de dip in zijn gedachten - zijn om¬slag naar negativisme, daarbuiten op dat verkeerseiland - slechts van korte duur was en niet genoeg negatieve energie voortbracht om zijn droom te beëindigen van een bezoek aan Manhattan en een tijdige terugkeer naar de luchthaven. Hij maakte zich net op tijd los van zijn negatieve gedachten en 'stopte het stoppen'. Hij maakte een eind aan het zichzelf onthou¬den van het ontvangen van het goede. Hij had bijna een eind ge¬maakt aan zijn eigen welzijn, maar hij gooide de koers radicaal om door het proces dat ik de-terminatie heb genoemd. En ziedaar, een wonder! Vanuit het niets komt opeens iemand op¬duiken die niet alleen naar Manhattan rijdt, maar die ook nog eens de allerbeste persoon is die je je voor deze situatie kunt indenken. David geeft aan dat zijn leven 'vol met dergelijke gebeurtenissen' is geweest. Dit is ongetwijfeld waar. Want wat je denkt, dat ervaar je. En als je denkt dat de huidige situatie - ongeacht wat die mag zijn jou uiteindelijk tot je hoogste welzijn zal brengen, dan zal dat ongetwijfeld het geval zijn. Het kan ook niet anders, want je ervaring is niet iets wat gebeurt; het is iets wat jij denkt dat gebeurt. Dat wil zeggen, het is niet iets wat 'aan de gang' is, het is wat jij voelt over wat er aan de gang is! Wat jij voelt over wat er aan de gang is, is wat ingang vindt. Het vindt ingang in je hart, in je ziel, en in je geest. Het creëert een registratie in alle drie en die registratie is wat jij je ervaring noemt. Twee mensen kunnen naar hetzelfde muziekstuk luisteren en toch een totaal verschillende ervaring hebben. Hetzelfde geldt voor twee mensen en eten, twee mensen en seks, twee mensen en alles. Als je elke keer dat je in de penarie zit (zoals David in een lastig parket leek te zitten toen hij midden op dat verkeerseiland stond tussen alle snelwegen), beseft dat je wordt geconfronteerd met een kans, niet met een belemmering, dan zul je niet vervallen in negatieve gedachten, en zal alles veranderen over hoe je je situatie ervaart. Dat is het punt. En het algemenere punt is dat je niet eens hoeft te weten dat iets goed gebeurt om het te laten gebeuren. Het gebeurt of je het nu weet of niet. Maar als je het goede dat gebeurt wenst te ervaren, dan moet je het als zodanig zien. Dit is wat bewustzijn is. Dit is wat het betekent. De truc van het leven is opmerken - gewoon opmerken - wat er aan de gang is, zonder oordeel. Noem het niet zus of zo. Verval niet in negativisme. Wees gewoon een objectief waarnemer. Ik ben net door een chauffeur ergens afgezet midden in de wirwar van snelwegen rond New York. In David Daniels verhaal was dat de waarheid. Elke andere gedachte die David daarover had, was een oordeel. Gelukkig maakt het God niet uit of wij oordelen over de dingen. God zal er altijd voor zorgen dat alles wat gebeurt in ons voordeel is. De enige vraag is dan niet of een bepaalde gebeurtenis in ons voordeel is, maar hoelang het zal duren voordat we dat opmerken. Hoe eerder we erachter komen dat alle dingen in ons voordeel zijn, des te sneller zullen we ze op die manier ervaren. Lees wat Een nieuw gesprek met God over dit onderwerp meldt:

Omdat het Mijn Wil is dat jullie weten en ervaren Wie je bent, laat Ik jullie iedere gebeurtenis of ervaring aantrekken, die jullie kiezen te scheppen teneinde dit doel te bereiken. Andere spelers in het universele spel voegen zich van tijd tot tijd bij jullie, bijvoorbeeld in de vorm van korte ontmoetingen, perifere participanten, tijdelijke teamgenoten, langetermijntussenpersonen, familie- en gezinsleden, teder beminden en levenspartners. Deze zielen voelen zich tot jou aangetrokken door jou. Jij voelt je tot hen aangetrokken door hen. Dit is een wederzijds creatieve ervaring die de keuzes en verlangens van beiden tot uitdrukking brengt.

Niemand komt toevallig tot je.

Toeval bestaat niet.

Niets gebeurt willekeurig.

Het leven is geen toevalstreffer.

Gebeurtenissen worden net als mensen door jou aangetrokken, voor je eigen doeleinden.

Als we dit begrijpen, dan transformeren we ons leven. Of we lijken dat te doen. In waarheid komt alles wat we doen erop neer, dat we alles zien als wat het werkelijk is. Evenzo is het onmogelijk om onszelf te transformeren. Het is alleen mogelijk om onszelf te kennen of niet onszelf te kennen als Wie we werkelijk zijn. Als we dat doen, dan transformeren we onze ervaring. Ik weet dat het leven zich ontwikkelt in het proces van het leven zelf. Ik weet dat God aan mijn kant is. Dit houdt mijn creatieve spanning op de juiste plaats. De lijn tussen de Positieve Ik en de Negatieve Ik blijft gespannen, tot mijn Negatieve Ik het niet-loslaten zo moe wordt, dat hij uiteindelijk loslaat. En dan valt alles perfect op zijn plaats, wat volgens een helft van mij volstrekt onmogelijk was! Nu ik deze truc ken, ervaar ik mijn leven als zorgeloos. Ik zie dat alle dingen tot het goede leiden. En deze waarheid heeft me bevrijd. Bevrijd van frustratie. Bevrijd van woede. Bevrijd van vrees. Indien en wanneer ik terugval in die ervaringen, dan is dat omdat ik vergeten ben Wie ik werkelijk ben en Wat zo is. Ik ben vergeten dat het leven zich ontwikkelt in het proces van het leven zelf. Ik ben vergeten dat God aan mijn kant is. Ik let niet op. Dat wil zeggen, mijn aandacht is niet gespannen. Mijn spanningsboog bezwijkt onder negatieve gedachten. Ik ben vergeten dat ik binnenkort een lift krijg en ik verbeeld me dat ik me bevind op een eilandje in de hel.

 

 

God zingt toch ook?

 

'Mam, maak je maar geen zorgen over papa,' zei mijn kleine van vijf jaar en hij keek me recht in de ogen. 'Alles zal goed komen.'
Ik was verrast, natuurlijk. Terwijl ik Eric naar school reed, was ik in gedachten verzonken geweest over mijn in behandeling zijnde echtscheidingsprocedure. Ik had me neergelegd bij het eind van mijn huwelijk; waar ik me echt zorgen over maakte, was het effect daarvan op kleine Eric.
Hij en zijn vader waren dol op elkaar. Ik had geprobeerd hem af te schermen voor de harde werkelijkheid dat zijn vader niet meer bij ons zou wonen, maar Eric was te slim en te gevoelig om die waarheid niet te kennen.
Nadat zijn vader daadwerkelijk was vertrokken, begon Eric zijn jopper met capuchon andersom te dragen en bedekte hij zijn gezicht wanneer dat maar mogelijk was. Hoe ik hem ook smeekte, hij bleef zich verstoppen. Maar vandaag leek hij helemaal uit zichzelf te kunnen treden om mij troost te bieden.
'Dank je, lieveling. Je hebt gelijk. Alles zal goed komen.'
Ik verwonderde me over Erics vermogen om mijn gedachten te lezen. Hij was vanaf het begin al een zeer intuïtief aangelegd kind geweest. Hij kon mijn diepste gedachten raden op momenten dat ik dat het minst verwachtte, bijna alsof wij telepathisch communiceerden. We speelden vaak een spelletje dat we 'Denk me naar huis' hadden genoemd. Als het avondeten klaar was en het tijd was voor Eric om naar huis te komen, richtte ik mijn gedachten op Eric en riep hem geestelijk op. Geheid kwam Eric dan gauw de deur binnengemarcheerd en hij zei dan bijna zakelijk: 'Oké, ik ben hier, mammie.'
Eric verschilde sterk van de andere kinderen. Later, toen hij oud genoeg was om naar school te gaan, zag ik dat de kinderen in zijn klas hem niet leken te begrijpen, zodat hij zich vaak vervreemd voelde. Een gevolg daarvan was dat Eric een zeer rijk ontwikkelde fantasiewereld had. Hij trad vaak zonder enige waarschuwing de wereld van zijn fantasie binnen en raakte daar dan zo in ondergedompeld dat hij alle contact met de werkelijkheid verloor. In feite werd zijn verbeelding zijn werkelijkheid.
Eenmaal, rond zijn achtste, verveelde Eric zich op school en zocht toen toevlucht in zijn fantasiewereld. In zijn voorstelling werd hij een tijger die zijn prooi opjoeg door de jungle. Terwijl hij stil en heimelijk door het dichte groene gebladerte sloop, zag hij een aap die in het gras op zoek was naar voedsel. Eric sprong in een keer op en overwon zijn prooi.
'Eric, wat doe jij nou?' hoorde hij zijn onderwijzer roepen. Eric keerde met een schok terug in de tegenwoordige tijd. Hij zat in elkaar gedoken op de grond en beet in de rand van zijn houten tafelblad! Deemoedig verontschuldigde hij zich tegenover de onderwijzer. Hij vertelde me later dat hij niet de woorden had weten te vinden om zijn gedrag aan de onderwijzer uit te leggen en bovendien had zijn onderwijzer ondertussen al alle pogingen om hem te begrijpen toch al opgegeven, dacht Eric.
Ik heb altijd geweten dat Erics fantasiewereld niet alleen een toevluchtsoord was en de bron van zijn onvermogen om met de andere kinderen mee te kunnen doen, maar ook symptomatisch voor een speciale sensitiviteit voor het leed en de pijn die bij elke kindertijd horen. Hij was kwetsbaar voor dingen waar andere kinderen gemakkelijk de schouders over ophalen.
Toen hij tien was, op de eerste dag van de vakantie, liet die karakter¬trek zich op zijn gevaarlijkste manier kennen. Zoals Eric het vertelt, had hij een klasgenoot - Jason heette hij, geloof ik - uitgenodigd om een of ander spel met hem te spelen. Jason antwoordde: 'Nah, ik ga voetballen met de andere jongens. Wil je niet met ons meedoen?' Eric schrok terug. De laatste keer dat hij had gevoetbald, had hij flink wat klappen opgelopen en was hij naar huis gekomen met een blauw oog. 'Vergeet het maar,' zei hij.
'Oké, ik ga voetballen,' reageerde Jason. 'Doe jij maar waar jij zin in hebt.' Uit die woorden trok Eric meteen de conclusie dat Jason hem niet mocht omdat hij niet met hem wilde spelen, maar tegelijk trok hij ook de conclusie dat niemand hem mocht.
En als hij dat echt dacht, dan weet ik dat het voor hem ondraaglijk moet zijn geweest. Eric vond een springtouw dat iemand had weggegooid, klom zonder enige aarzeling op een muurtje van een meter hoog, bond een uiteinde van het touw vast aan een hek en het andere rond zijn nek, en sprong.
Gelukkig had een onderwijzeres die toezicht hield op het speelterrein, net een halve seconde daarvoor haar blik toevallig op Eric laten vallen. Ze rende naar hem toe om hem te grijpen en riep een andere onderwijzer te hulp om het touw om zijn nek los te maken.
Eric was niet ernstig gewond, maar hij had iedereen natuurlijk flink de stuipen op het lijf gejaagd. Ik werd meteen gebeld en toen ik in het kantoor van het schoolhoofd naast Eric ging zitten, stroomden de tranen over mijn gezicht.
'Liefje, waarom zou je jezelf dat willen aandoen?' vroeg ik hem. 'Je weet toch dat we kunnen praten over alles wat je pijn doet en dat we er samen kunnen uitkomen. Ik houd van je. Je pappa houdt van je. God houdt van je.'
'Maar op school vindt niemand me aardig, mammie,' huilde hij zielig.
Ik omhelsde mijn zoon. Hoe kan ik hem helpen? Dat wilde ik wanhopig weten.
Nadat ik het incident met de schooldecaan had besproken, besloot ik er zo weinig mogelijk aandacht aan te besteden. Zowel de staf als de decaan dacht dat een ingehouden reactie de beste manier was om ermee om te gaan. Ik besloot voor Eric de hulp te vinden die hij nodig had om te leren kunnen omgaan met de pijn van het definitieve vertrek van zijn vader.
Spijtig genoeg kreeg ik daar de kans niet toe.
Nog geen twee dagen later probeerde Eric zich opnieuw te verhangen, deze keer aan een haakje in de gangkast. Toen moest ik het pijnlijke besluit nemen hem te laten opnemen in een psychiatrische instelling. Ik meende geen andere keuze te hebben.
Toen we over de oprijlaan met bomen erlangs reden, huilde ik van binnen en ik dacht: Ik kan mijn kleintje toch niet op deze vreemde plek achterlaten. Hij is pas tien jaar oud! Ik vroeg me af of Eric echt wel begreep dat hij hier zou achterblijven, niet alleen gescheiden van zijn vader, maar ook van mij en van alle dingen waar hij het meest van hield... het huis dat zijn veilige haven was, zijn toevluchtsoord.
'Mam, maak je geen zorgen. Het komt wel goed met me. Je kunt me de hele tijd komen opzoeken.'
Opnieuw had Eric mijn gedachten gelezen. Hoe kan een kind zo intuïtief en tegelijk toch ook zo verstoord zijn? vroeg ik mezelf treurig af. Met Eric aan mijn hand liet ik de begeleider ons rondleiden door het complex. Het was geen onaangename plek, maar toch was het en bleef het een ziekenhuis. We spraken met artsen en verpleegkundigen, pakten zijn spullen uit, gaven elkaar een laatste langgerekte omhelzing en toen namen we afscheid. Ik zou Eric een hele week niet kunnen zien. Ik dacht niet dat ik het zou kunnen verdragen om zonder mijn kleine jongen te moeten zijn. Hij had mij zo enorm nodig; hij zou zo alleen zijn. Waarom moet dit gebeuren? raasde het door mijn hoofd.
Ik was uiterst verontrust toen ik mijn auto ongeconcentreerd door de stad loodste. Dagenlang had ik al mijn gevoelens opgekropt. Vanzelfsprekend probeerde ik sterk te zijn voor Eric, maar nu was dat niet langer nodig en dus liet ik mijn stortvloed aan tranen eindelijk gaan.
In mijn geest riep ik het uit: 'Waarom gebeurt dit? Waar vind ik iemand die mij kan helpen... die mij kan ondersteunen? Ik sta er alleen voor, volstrekt alleen!' Het kostte me moeite om niet ineen te storten achter het stuur.
Toen ik de auto parkeerde en mijn lege huis binnenstrompelde, wist ik dat me enkele zeer eenzame dagen stonden te wachten. Ik liet me op mijn bed vallen met nog al mijn kleren aan en sloeg de beddensprei om me heen. Binnen in mijn cocon snikte ik hardop, ik wilde alleen nog maar worden vastgehouden en getroost. Toen hoorde ik iemand zeggen: Je bent niet alleen, Carolyn.
Ik ging rechtop zitten in mijn bed en keek verbaasd om me heen. Het vertrek was leeg.
Ik ben bij je.
Daar was het weer. Die stem die uit het niets leek te komen. Maar deze keer voelde ik me geschrokken noch ongemakkelijk. Eigenlijk kwam er een heerlijk gevoel van rust over me. Ik meende opeens te weten wie het tegen mij had.
De stem omsloot me zachtjes en doordrong mijn hele wezen. Opgelucht ging ik achterover liggen en toen viel ik in een diepe, heilzame slaap.
De volgende ochtend werd ik wakker van de zon die door het slaapkamerraam naar binnen scheen. Voor het eerst sinds dagen vulde mijn hart zich met hoop. Ik betrapte me er zelfs op dat ik stond te neuriën terwijl ik me aankleedde voor mijn werk. Ik voelde nu wist nu - dat alles weer goed zou komen met Eric. Ik wist ook dat ik dit alles goed zou doorstaan, met de hulp van God...
Maar tijdens de rit naar mijn werk begon de twijfel aan me te knagen.
Word toch eens volwassen, sprak de ouder in mij. Denk je echt dat alles weer goed zal komen omdat jij God nu aan jouw kant hebt staan?
Ik haatte dat. Ik haatte het wanneer mijn nuchtere, soms sceptische verstand me uit een aangename droom hielp ontwaken, meestal juist wanneer ik me emotioneel goed voelde. Stop daarmee! beval ik mezelf. Ga niet die kant op! A, God, sta me bij. Help me beseffen dat dit echt is, dat U hier bent, dat ik mij de dingen niet heb ingebeeld gisteravond.
Impulsief, op zoek naar iets wat me in een betere stemming zou brengen, zette ik de autoradio aan. Onmiddellijk vulde een melodie de auto. Nu en voor altijd, luidde de tekst, ik zal altijd bij je zijn.
Ik stopte langs de kant van de weg. En huilde.
Sinds die ene dag zijn er alweer heel wat jaren voorbij gegaan. En God heeft zijn belofte gehouden. Hij is altijd bij mij gebleven. Eric heeft niet alleen deze uitdaging in zijn leven overleefd, hij is opgegroeid tot een ongelooflijke jongeman die in alle vastberadenheid zijn droom nastreeft om entertainer te worden. Net als ik is hij geïnspireerd door Gesprekken met God!
We hebben het gehaald.

Twijfel er nooit aan dat God naar ons toekomt in antwoord op ons roepen. Maar blijf altijd beseffen dat de Vormen van God onmetelijk zijn. En eindeloos.
Het is zoals ik al zei. God is zonder schaamte. De kernzin van de eerstvolgende film die je ziet. De boodschap op een gigantisch reclamebord om de hoek. Een uitspraak die je opvangt van de tafel naast je in het restaurant. 'Over al deze middelen beschik Ik; al deze wegen staan voor Mij open,' zegt God in Een gesprek met God. Zij laat zich klaarblijkelijk door niets tegenhouden om ons het eerstvolgende te laten zien dat we moeten zien, om ons het eerstvolgende te la-ten weten dat we moeten weten.
Ik zal nooit het verhaal vergeten dat een oudere dame - ze heette Gladys, geloof ik - mij een aantal jaar geleden in een brief vertelde. Ze las mijn boek en ondervond tegelijk bepaalde problemen in haar leven, en dus vond ze het moeilijk om te geloven wat ze in Gesprekken met God zag.
'Oké, God,' voer ze op een dag uit terwijl ze door haar kleine appartement heen en weer banjerde. 'Als U echt bent zoals Neale beweert,

vertoon U dan aan mij. Kom op. Geef me een teken. Het doet er niet toe wat. Geef me een of ander teken dat U echt bent, dat U leeft, dat U nu hier bent'
Er gebeurde niets.
Ze ging op haar keukenstoel zitten en nam een slokje koffie.
Er gebeurde niets.
Ze verhuisde naar haar schommelstoel, sloot haar ogen en wachtte. Niets.
'Welja,' mompelde ze uiteindelijk. 'Precies wat ik dacht.'
Vol weerzin kwam ze overeind en zette de tv aan. Toen werd ze bleek. Haar knieën begonnen te knikken. Ze liet zich snel weer in haar schommelstoel zakken, haar gezicht verstard in ongeloof. Twee woorden, levensgroot, vulden het televisiescherm:
O, GOD
De film van John Denver en George Burns was net begonnen en de titel ervan verscheen net in beeld op het moment dat Gladys de televisie had aangezet. Je kunt je niet eens voorstellen wat er op dat moment door haar hoofd ging.
Ze moest er later om grinniken en ook haar brief was in een lichthartige toon geschreven. Maar ze heeft nooit meer getwijfeld aan het bestaan - of de aanwezigheid - van God.
En zo zie je maar dat God zich aan ons openbaart in allerlei verschijningsvormen. Die zijn niet allemaal even 'goddelijk'. Hemelse boodschappen bereiken ons niet altijd in hemelse pakketjes of door hemelse ervaringen, de manier waarop we verwachten dat ze zullen komen. Ze kunnen worden overgebracht door een hartstochtelijke popsong. Of door een twintig jaar oude filmtitel. Of door alom populaire, zij het misschien onwaarschijnlijke, boeken.
Zelden worden Gods boodschappen begeleid door hemelse harpen of ons aangereikt door engelen.
Zelden.
Maar nooit hoor je mij niet zeggen.